Kwaliteitsafspraken
Eindrapportage Kwaliteitsafspraken
In dit hoofdstuk is de eindrapportage over de kwaliteitsafspraken opgenomen en bestaat uit de volgende onderdelen
- korte samenvatting plan kwaliteitsafspraken;
- proces en regie kwaliteitsafspraken;
- samenvatting resultaten kwaliteitsafspraken;
- resultaten kwaliteitsafspraken financieel;
- reflectie CvB en stuurgroep: lessons learned;
- verduurzaming kwaliteitsafspraken.
Daarnaast hoort er een aantal bijlagen bij deze rapportage die in de bijlagen van dit jaarverslag is terug te vinden:
- financiële overzichten/tabellen (Bijlage 6);
- reflectie hogeschoolmedezeggenschapsraad (HMR) (Bijlage 7);
- reflectie Raad van Toezicht (RvT) (Bijlage 11).
1 Korte samenvatting plan kwaliteitsafspraken

In 2018 is gestart met de ontwikkeling van het plan voor de besteding van de studievoorschotmiddelen, later kwaliteitsafspraken (KA) genoemd. De voormalige hogescholen NHL en Stenden zijn 1 januari 2018 gefuseerd tot NHL Stenden Hogeschool en is er een nieuw strategisch instellingsplan vastgesteld. De nieuwe hogeschool ambieerde een nieuw onderwijsconcept: Design Based Education. De middelen zijn dan ook voor een behoorlijk deel aangewend voor de invoering van dit concept: de ontwikkeling van de curricula, de ateliers die een belangrijk deel uitmaken van de onderwijsleeromgeving (de middelen zijn zowel voor de onderwijskundige als fysieke ontwikkeling gebruikt), de studentbegeleiding en het vergroten van het studentenwelzijn. Omdat het onderwijsconcept een andere didactische aanpak vergt, is ook fors ingezet op professionalisering van docenten en de ontwikkeling van het portfolio.
De nieuwe hogeschool ontstond in een tijd van forse digitale transformaties en de afstemming en verbetering van de IT-organisatie is in thema 5 ondergebracht. Dit heeft onder andere geleid tot de ontwikkeling van een platform waarin studenten alle voor hen relevante informatie bij elkaar hebben (Your Own Space: YOS) en er gemakkelijk met de studieloopbaanbegeleider gecommuniceerd kan worden. Ook is het digitaal toetsen volledig met KA-middelen gefinancierd en succesvol geïmplementeerd.
In dit hoofdstuk van het jaarverslag wordt teruggeblikt op de realisatie gedurende de gehele periode van 2019 tot en met 2024.
2 Proces en regie
NHL Stenden koos voor een centrale aanpak van de kwaliteitsafspraken waarbij vanuit een hogeschoolbreed plan in alle academies (opleidingen) en diensten uitvoering werd gegeven aan de ambities uit het plan. De academies en diensten hebben verantwoording afgelegd in de reguliere planning- en controlcyclus (drie rapportagemomenten per jaar), de kwaliteitsafspraken zijn hier integraal onderdeel van geweest. Om daarnaast regie en afstemming te voeren op de uitvoering van de thema’s is een stuurgroep kwaliteitsafspraken ingesteld onder voorzitterschap van de portefeuillehouder van het College van Bestuur (CvB). De stuurgroep bestaat daarnaast uit de programmamanager kwaliteitsafspraken, twee onderwijsdirecteuren (academiedirecteuren), een studentlid van de hogeschoolmedezeggenschapsraad (HMR), de directeur dienst Onderwijs, Onderzoek & internationalisering (OO&I), de studentadviseur van het CvB en de concern controller. In de stuurgroep stond zowel de inhoudelijke voortgang binnen de thema’s als de financiële uitnutting op de agenda. De thema’s werden inhoudelijk aangestuurd door een coördinator per thema. Daar waar mogelijk zijn studenten uit de medezeggenschap betrokken in de planning en realisatie van de projecten.
In de coronaperiode heeft de stuurgroep het initiatief genomen een addendum op het plan te schrijven en een herverdeling van middelen in gang te zetten, na afstemming met de HMR en Raad van Toezicht (RvT). Er is toen gekozen voor het versterken van de inzet op thema 1 (kleinschalig en intensief onderwijs) en daarmee zijn middelen vanuit thema 4 verschoven (met name voor portfolio-ontwikkeling bestemd). De programmamanager organiseerde het overleg met de coördinatoren van de thema’s 1 t/m 6 en zorgde voor hogeschoolbrede informatievoorziening en communicatie over de voortgang van de kwaliteitsafspraken.
3 Samenvatting resultaten kwaliteitsafspraken 2019 -2024
Thema 1 Kleinschalig en intensief onderwijs
De hoofddoelstelling voor thema 1 was dat alle opleidingen eind 2024 DBE herkenbaar en succesvol zouden hebben geïmplementeerd, om kleinschaliger en intensiever onderwijs te realiseren. Daarnaast zouden alle geselecteerde opleidingen eind 2024 beschikken over goed functionerende propedeuse-ateliers en multidisciplinaire ateliers, waarin studenten, docenten en werkveld samen leren in een kleinschalige setting en werken aan real-life vraagstukken. Aan de hand van de einddoelstellingen voor 2024, zoals benoemd in het plan kwaliteitsafspraken, bespreken we de acties die in 2024 zijn ondernomen en schetsen we de uiteindelijke resultaten. De deelprojecten waren gericht op het verhogen van de kwaliteit van de ateliers in de propedeuse, het stimuleren van de ontwikkeling multidisciplinaire ateliers (deelproject 2), hogeschoolbrede coördinatie, kennisdeling, doorontwikkeling evidence en beleid (deelproject 3) en de invoering DBE per opleiding (deelproject 4). De herallocatie van middelen als gevolg van corona heeft geleid tot een extra deelproject gericht op de intensivering van de begeleiding en het bieden van extra onderwijsactiviteiten (meer docentinzet).
Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, wordt ingezet op kleinschaligheid en intensieve begeleiding. In diverse opleidingen zijn klassen en werkgroepen verkleind, zodat studenten meer persoonlijke aandacht krijgen. Er zijn ateliers opgezet waarin studenten in kleine teams werken aan praktijkgerichte opdrachten. Dit biedt ruimte voor individuele begeleiding en stimuleert een diepgaandere leerervaring. Daarnaast wordt gewerkt aan multidisciplinaire projecten, waarbij studenten vanuit verschillende disciplines samenwerken om complexe vraagstukken op te lossen. Er wordt geëxperimenteerd met nieuwe onderwijsvormen, zoals intensieve introductieweken en studieprogramma’s waarin studenten meer eigenaarschap over hun leerproces krijgen.
Doorontwikkeling ateliers (deelproject 1 en 2)
In het plan kwaliteitsafspraken was als einddoelstelling opgenomen dat per eind 2024 in totaal 56 propedeuse-ateliers en 28 multidisciplinaire ateliers zouden zijn gerealiseerd, welke een kwaliteitsslag dienden te hebben gemaakt die bij alle academies van de hogeschool geïmplementeerd zou zijn. In 2024 zijn in totaal zeventien eerstejaars ateliers en tien multidisciplinaire ateliers aangemeld voor een kwaliteitsslag of een ontwikkelslag. Sinds de start van de kwaliteitsgelden is rechtstreeks bijgedragen aan de (door)ontwikkeling van 42 afzonderlijke ateliers in het eerste jaar van de betrokken opleidingen, verspreid over alle (oorspronkelijke) academies. Dit blijft onder het streefgetal (56), vooral doordat elf ateliers meerdere jaren achtereen zijn voorgedragen, waarvan vier gedurende de volledige looptijd van de kwaliteitsafspraken. Hier is bewust op ingezet, omdat zo een langdurige ontwikkelslag kon worden gemaakt.
Meerdere opleidingen hebben ervoor gekozen om deze eerstejaars ateliers te gebruiken als proeftuin voor de opleiding als geheel, in enkele gevallen ook vergezeld van longitudinaal onderzoek. Het spinoff-effect voor een aantal deelnemende opleidingen is bovendien aanzienlijk: ook reguliere ateliers waarvoor de kwaliteitsgelden niet zijn ingezet, hebben indirect baat gehad bij deze ontwikkeling. Verder is er in enkele gevallen sprake van eerstejaars ateliers waarin meerdere opleidingen samenwerken; hoewel deze slechts éénmaal zijn geteld, is ook hier de reikwijdte groter dan het aantal doet vermoeden.
Met de (door)ontwikkeling van tien multidisciplinaire ateliers in 2024 hebben de kwaliteitsgelden bijgedragen aan een totaal aantal van 32 multidisciplinaire ateliers, waarmee de doelstelling ruimschoots is behaald. In vijftien gevallen betrof het een atelier waarin sprake was van samenwerking tussen opleidingen binnen één academie; dertien ateliers waren juist gericht op academie-overstijgende multidisciplinaire samenwerking. In vijf gevallen was er zelfs sprake van samenwerking met opleidingen buiten de hogeschool. Bij een groot deel van de deelnemende multidisciplinaire ateliers was sprake van betrokkenheid van één of meerdere lectoraten. De ontwikkeling van multidisciplinaire ateliers heeft (mede) geleid tot een toename in het aanbod aan multidisciplinaire minoren. Deze context bevordert de samenwerking tussen studenten van verschillende opleidingen, wat hen beter voorbereidt op de multidisciplinaire aard van veel werkvelden.
Binnen de deelnemende ateliers is gewerkt aan kwaliteitsverbetering of de ontwikkeling van nieuwe ateliers, waarbij het beter laten aansluiten van onderwijs, begeleiding en toetsing een belangrijk doel was. In alle gevallen was sprake van ateliers die voldeden aan de criteria voor kleinschaligheid en onderwijsintensiteit en de ontwerpkaders van NHL Stenden. Er werd gedurende tenminste twee dagdelen in kleine groepen en op iteratieve wijze gewerkt aan real-life vraagstukken uit het werkveld. Ontwikkeldoelen van de deelnemende ateliers hadden betrekking op de totstandkoming van samenwerking tussen opleidingen uit verschillende domeinen om aan gezamenlijke praktijkvraagstukken te werken, uitbreiding van de samenwerking met werkveldpartners, het integreren van duurzaamheidsdoelen in het atelier, de begeleiding van studenten, de feedback (vanuit de praktijk), het opzetten van atelier-specifieke onboarding-activiteiten voor eerstejaarsstudenten, het uitwerken van nieuwe toetsvormen, de organisatie van het atelier, etc. Net als eerdere jaren is ook het afgelopen jaar de specialistische kennis binnen de dienst OO&I ingezet waar dit gewenst was.
Onderzoek naar DBE en Ateliers (deelproject 3)
Samen met het lectoraat DBE is de afgelopen jaren doorlopend onderzoek gedaan naar diverse aspecten van DBE en ateliers. Tussen september 2023 en april 2024 heeft het lectoraat onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het DBE-onderwijsmodel binnen negen bacheloropleidingen. Hierbij is gekeken naar de visie van onderwijskundig leiders, de manier waarop docenten DBE begrijpen en toepassen, de ervaringen van studenten met DBE, en de leerresultaten die zij behalen.
De eerste deelstudie vergeleek de visie van onderwijskundig leiders met de interpretatie van docenten. Het bleek dat beide groepen DBE als relevant beschouwen voor de beroepspraktijk van studenten, maar dat docenten lagere scores gaven op strategie, richting en professionalisering. Dit duidt erop dat de bedoelingen van DBE nog niet volledig tot uitvoering zijn gekomen in de praktijk. Docenten gaven aan behoefte te hebben aan meer onderwijskundig leiderschap en visievorming om DBE effectiever toe te passen.
In de tweede deelstudie is een meetinstrument voor DBE-leerresultaten ontwikkeld. Dit resulteerde in een herstructurering van de leerresultaten in acht factoren, waaronder professionaliteit, persoonlijk leiderschap en creativiteit. Deze nieuwe indeling bleek beter aan te sluiten bij de manier waarop studenten DBE ervaren. Dit nieuwe instrument is vervolgens ingezet om de DBE-leerresultaten bij studenten te analyseren.
De derde deelstudie onderzocht hoe studenten hun DBE-leerresultaten inschatten en hoe ze DBE-onderwijs ervaren. Hieruit bleek dat studenten die meer in aanraking kwamen met DBE-onderwijs, beter scoorden op de leerresultaten, hoewel deze resultaten niet altijd direct correleerden met hun studieresultaten. Bovendien toonde het onderzoek een positief verband tussen de mate waarin docenten DBE toepasten en de ervaring van studenten met DBE.
Uit de overkoepelende conclusies van het DBE monitoringonderzoek komen enkele belangrijke bevindingen naar voren. DBE wordt breed geaccepteerd door zowel onderwijskundig leiders als docenten, en wordt als relevant beschouwd voor de toekomstige beroepspraktijk van studenten. Desondanks is er ruimte voor verbetering op het gebied van consistentie en coherentie, zowel op institutioneel niveau als opleidingsniveau. Het verschil tussen het beoogde perspectief van onderwijskundig leiders en het geïnterpreteerde perspectief van de docenten wijst op de behoefte aan verdere visievorming, onderwijskundig leiderschap en professionalisering.
De aanbevelingen van het lectoraat zijn onder andere om DBE beter af te stemmen op de beroepsprofielen van opleidingen, een gezamenlijke taal te ontwikkelen voor een consistentere implementatie, en de herdefiniëring van de DBE-leerresultaten te gebruiken om het leren van studenten zichtbaar te maken. Bovendien wordt benadrukt dat onderwijsinnovatie een continu proces is dat hand in hand gaat met doorlopend ondersteunend onderzoek. Om de ontwikkeling van DBE in de tijd te volgen, is het wenselijk om een verder longitudinaal onderzoek uit te voeren. Daarnaast kan onderzoek onder docenten en studenten meer inzicht geven in de directe impact van DBE-onderwijs. Vervolgonderzoek dient verder te worden uitgebreid naar associate degree-opleidingen, masteropleidingen en deeltijdopleidingen, en alumni en werkveld nadere te betrekken bij het evalueren van de impact van DBE.
Implementatie DBE (deelproject 4)
DBE is gefaseerd geïmplementeerd sinds 2018. De opleidingen die in 2023 nog een laatste stapje moesten maken, hebben aangegeven dat per studiejaar 2024-2025 DBE in alle leerjaren van de niet flex-opleidingen is geïmplementeerd. Hiermee is de hogeschool volledig overgegaan naar DBE. Veel opleidingen zijn inmiddels bezig met een doorontwikkeling op basis van de opgedane ervaringen. Ook aan de synergie met de flexibele opleidingen wordt volop gewerkt. In de samenwerking met vo, mbo en andere hbo-instellingen worden DBE-elementen ingebracht, en zelfs een internationale partner vanuit het RUN-EU netwerk is voornemens DBE te implementeren.
Er zijn investeringen gedaan in de ontwikkeling van multidisciplinaire ateliers, zoals het Inclusive Lab Fryslân, waar studenten en docenten van verschillende opleidingen samenwerken aan praktijkgerichte projecten. Het gebruik van digitale leermiddelen en onderwijsontwerpen wordt steeds verder verfijnd, ondersteund door gespecialiseerde training en externe begeleiding.
Studenttevredenheid (monitoring)
Interventies binnen thema 1 zijn de afgelopen jaren ingezet met als doel een positief effect te hebben op studenten. Het plan kwaliteitsafspraken bevat ten aanzien van studenttevredenheid specifieke streefwaardes (op basis van de Nationale Studenten Enquête (NSE) ten aanzien van studie algemeen (4,0) en DBE-specifieke vragen (3,8-4,0). De resultaten van 2024, in vergelijking tot de eerdere jaren, laten zien dat deze doelstellingen grotendeels zijn bereikt. De themascore DBE behaalde in 2024 een 3,97; daarmee is een duidelijke positieve trend te zien (2023 en 2022: 3,92; 2021: 3,85). Op basis van de NSE kan worden geconcludeerd dat studenten DBE waardevol vinden. Ze hebben waardering voor de zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en creativiteit die het onderwijsconcept biedt, en ook de samenwerking met medestudenten wordt gewaardeerd.
De tevredenheid over studie algemeen scoort een 3,67, wat een lichte stijging is ten opzichte van 2023 (3,63) en 2022 (3,60). Hoewel deze score nog iets lager is dan de streefwaarde van 4,0, is hier dus wel sprake van een licht positieve ontwikkeling. Ook uit de 100-dagencheck van 2024 blijkt dat eerstejaars studenten over het algemeen positief zijn over de aansluiting van de opleiding bij hun kennis en vaardigheden, en dat de sfeer in de groep/klas positief scoort. Dit is een indicatie dat de kleinschaligheid van het onderwijs wordt gewaardeerd. In de NSE scoren de sfeer op de opleidingen en de ervaren veiligheid onverminderd erg hoog. De tevredenheid over ‘praktijkgerichtheid’ en ‘keuzemogelijkheden’ ontwikkelen zich positief. In beide gevallen zijn de scores in 2024 significant hoger dan de benchmark. Wel zijn er zorgen over inconsistentie in implementatie, verhoogde werkdruk en theoretische ondersteuning. Studenten zien ruimte voor verbetering in praktische toepassing en variatie in opdrachten.
Thema 2: Meer en betere begeleiding van studenten
Doelstellingen op hoofdlijnen:
- een duidelijk begrippenkader voor studieloopbaanbegeleiding (SLB) op te leveren (gerealiseerd);
- bij elke academie een coördinator studentbegeleiding aan te stellen (gerealiseerd);
- een hogeschoolbreed platform studentbegeleiding te creëren (gerealiseerd);
- studenten optimaal te begeleiden tijdens de studie, volgens gedeelde inzichten en vanuit een gemeenschappelijk kader dat door iedereen wordt herkend (continu proces);
- verbeteren van het ondersteuningsaanbod ter bevordering van het studieklimaat en studentwelzijn.
De rol van de docent verandert bij het werken in ateliers. De docentrol is verbreed van de expertrol naar ook de begeleidende en faciliterende rol. De thema’s studentenwelzijn en studieloopbaanbegeleiding zijn cruciaal voor studentsucces. De begeleiding van studenten heeft daarom een centrale plek in de onderwijsontwikkeling. Mentoren en studiecoaches monitoren de voortgang van studenten en bieden waar nodig extra ondersteuning. Student-assistenten worden ingezet om welzijnsproblemen vroegtijdig te signaleren en studenten te helpen bij hun studieplanning.
De projectgroep thema 2 is erin geslaagd een begrippenkader met richtlijnen voor begeleiding op te stellen in cocreatie met het platform van de coördinatoren studentbegeleiding. Dit platform studentenwelzijn wordt doorgezet ook na het einde van de planperiode om intervisie en kennisdeling hogeschoolbreed te faciliteren. We monitoren voortdurend, via de 100-dagencheck en de NSE maar ook in de kwaliteitscyclus van opleidingen hoe de begeleiding ervaren wordt. De behoeften van studenten verschuiven daarin. We zien bovendien dat het werken in ateliers soms vraagt om een andere aanpak dan de klassieke SLB-structuur met bijeenkomsten. Er vindt al veel begeleiding tijdens het werken in ateliers plaats, hetgeen ook erg effectief blijkt te zijn.
Binnen de verschillende opleidingen zijn zoals genoemd coördinatoren aangesteld om studieloopbaanbegeleiding verder te ontwikkelen en te verbeteren. Docenten worden getraind in het ondersteunen van studenten met speciale behoeften, en er is extra aandacht voor studenten die door coronagerelateerde problemen vertraging hebben opgelopen. De inzet van digitale systemen helpt om de voortgang van studenten beter te monitoren en vroegtijdig in te grijpen als er signalen zijn van studievertraging of uitval.
Naast individuele begeleiding wordt er gewerkt aan initiatieven die het welzijn van studenten verbeteren, zoals speciale ondersteuning voor eerstejaarsstudenten, coachingstrajecten en het inrichten van een netwerk van studiecoaches die structurele begeleiding bieden. Er is bovendien aandacht voor peer support en studentbetrokkenheid bij beleidsvorming. Student-assistenten analyseren bijvoorbeeld de resultaten van studentenervaringen en doen verbetervoorstellen die worden besproken met het management.
Studenten ervaren de begeleiding als waardevol en geven aan dat de toegankelijkheid van docenten en coaches een positief effect heeft op hun motivatie. Binnen bepaalde opleidingen wordt de rol van student-assistenten versterkt, maar het blijkt in de praktijk soms lastig om voldoende geschikte studenten te vinden die deze rol willen vervullen. Om de studeerbaarheid van opleidingen te verbeteren, wordt samengewerkt met vertegenwoordigers van studenten en opleidingscoördinatoren om knelpunten in kaart te brengen en oplossingen te ontwikkelen.
Studentenwelzijn
We hebben een ondersteuningsaanbod ontwikkeld op basis van de aangegeven behoefte van de studenten. Het aanbod is herkenbaar gepositioneerd en breed toegankelijk en laagdrempelig beschikbaar gesteld op intranet voor studenten en medewerkers in Student Empowerment (eerder bekend als StudentSuccesCentrum).

Thema 3: Studiesucces
Doelstellingen op hoofdlijnen:
- terugbrengen uitval propedeuse en verhogen afstudeerrendement;
- realiseren van een centrum voor studentsucces (gecombineerd met thema 3, studentenwelzijn).
Thema 3 was vooral gericht op het voorkomen van uitval en langstuderen. Om uitval en langdurige studietrajecten te verminderen, zijn gerichte maatregelen genomen. Er is een systematische aanpak voor monitoring en begeleiding, waarbij langstudeerders individueel worden ondersteund om hun studie succesvol af te ronden. Helaas lijkt het erop dat het corona-effect is dat de uitval in eerste instantie is toegenomen. Een positief effect van de maatregelen is dat we beter in staat zijn een goede selectie te doen van studenten in het eerste jaar.
Binnen de opleidingen wordt gebruik gemaakt van voortgangsevaluaties, studieworkshops zoals bootcamps en ateliers studiesucces en extra begeleidingstrajecten. Er zijn coördinatoren langstuderen en begeleiders aangesteld om studenten met studievertraging intensief te begeleiden. Dit gebeurt zowel in de reguliere onderwijsprogramma’s als in specifieke afstudeerprogramma’s. Er worden concrete doelen gesteld, zoals het verlagen van de uitval in de propedeuse en het verminderen van de duur van studieachterstanden. Ook had het centrum voor studentsucces een belangrijke rol in de ondersteuning van studenten die enige hulp konden gebruiken bij het hervinden van hun motivatie, studieplanning en houding. De werkgroep heeft op basis van de bevindingen en de richtlijnen in samenspraak met de werkgroep van thema 6, professionalisering, een passend trainingsaanbod voor studiebegeleiders ontwikkeld.
In het taallab en het onderzoekslab was ruimte voor gerichte ondersteuning bij zowel eerste- als tweedetaalverwerving (met name schrijfvaardigheid) en in het onderzoekslab waren experts aanwezig om studenten te helpen bij het ontwikkelen van hun onderzoeksvaardigheden. Er zijn ook specifieke doelgroepenateliers gestart, gericht op studenten die als gevolg van bijvoorbeeld ASS of hoogbegaafdheid tools wilden ontwikkelen die hen helpen succesvol te zijn in de studie. De studenten die hieraan deel hebben genomen zijn daarover enthousiast. Extra aandacht wordt besteed aan de afstudeerfase, waarin studenten in kleine groepen of individueel worden begeleid om hun scripties en eindproducten met succes af te ronden.
Om uitval te verminderen en het studiesucces te vergroten, is onderzoek gedaan naar de factoren die invloed hebben op de prestaties van studenten. In bepaalde trajecten is gebleken dat de doorstroming van studenten uit het beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs een aandachtspunt is. Samen met instellingen in het beroepsonderwijs worden verbeteracties opgezet om de aansluiting tussen beide onderwijsvormen te optimaliseren. Binnen sommige opleidingen zijn sprinttrajecten opgezet om te voorkomen dat studenten vertraging oplopen en om langstudeerders extra te ondersteunen. In enkele opleidingen wordt geëxperimenteerd met kortlopende cursussen om studenten te helpen bij de voorbereiding op hun studie. Dit heeft tot nu toe positieve resultaten opgeleverd. Ondanks deze inspanningen blijven er opleidingen waar de uitvalpercentages relatief hoog liggen. Er wordt vanuit verschillende teams gewerkt aan gerichte maatregelen om dit verder terug te dringen.
Het voorkomen van uitval kan gerealiseerd worden door studenten goed voor te bereiden op het studeren in het hbo, het werken met DBE en door hen goed te laten oriënteren op het beroepsbeeld van een opleiding. Om deze reden zijn de oriëntatie-ateliers ingericht. Studenten kregen hierin de gelegenheid te wennen aan de leeromgeving, het onderwijsconcept en werden voorbereid op het beeld van het beroep. Bij een aantal opleidingen zoals de opleiding leraar basisonderwijs is dit goed geslaagd. Op andere plekken bleek het lastiger organiseerbaar ondanks dat we veel enthousiasme bij studenten ontmoeten. Ook hier was de noodzaak deels online te werken niet faciliterend.
Er zijn initiatieven gestart om studieachterstanden en langstudeerders beter te begeleiden. Dit gebeurt onder andere door constructieve afstemming tussen docenten en studenten, individuele begeleiding en herontworpen studieprogramma’s. Daarnaast is gewerkt aan systemen om de studievoortgang beter te monitoren en tijdig in te grijpen bij risico’s. De tool YOS is een mooi product van de kwaliteitsafspraken. Het geeft studenten goed inzicht in hun studievoortgang en ook hun studiebegeleiders kunnen zien waar de student staat en naar aanleiding daarvan in gesprek gaan over het studiesucces en de benodigde begeleiding.

Thema 4: Onderwijsdifferentiatie
Doelstellingen op hoofdlijnen:
De hogeschool wil graag samen met de studenten meer ontwikkelmogelijkheden en diversiteit binnen en buiten de bestaande programma’s door:
- benoemen studentadviseurs;
- realiseren nieuwe topsport/ondernemerschapregeling;
- realiseren Centre for Entrepreneurship (CfE);
- realiseren doorlopende leerlijnen/fasttracks;
- realiseren innovatieprogramma X-Honours.
Om beter aan te sluiten op de behoeften van verschillende studentengroepen, zijn flexibele leertrajecten ontwikkeld. Dit omvat onder andere de mogelijkheid om versneld door het curriculum te gaan, doorstroomtrajecten tussen verschillende niveaus en opleidingen, en maatwerk in studieprogramma’s.
Binnen het onderwijs wordt ondernemerschap gestimuleerd door samenwerkingen met het Centre for Entrepreneurship (CfE). Dit centrum is verder uitgebreid met behulp van de inzet van kwaliteitsmiddelen. Het aanbod voor studenten is uitgebreid en er is een levendige community van deelnemende studenten. Studenten worden aangemoedigd om deel te nemen aan deze programma’s en krijgen ondersteuning bij het ontwikkelen van ondernemerschapsvaardigheden. Parallel aan de ontwikkeling van het centre is de regeling Topondernemers (Topondernemersregeling TOR) ontwikkeld en ingevoerd naar analogie van de regeling voor Topsportstudenten. De regelingen zijn conform plan gecombineerd en worden toegepast.
Daarnaast is gewerkt aan de uitbreiding van het onderwijsaanbod, met plannen voor nieuwe associate degrees, masterprogramma’s en oorspronkelijk bedoeld ook dubbele graden. Voor een groot deel zijn deze ook aangevraagd (waarbij de aanvraagprocedures intensief zijn), daarbij valt te denken aan de Ad Automatisering en Robotica, de Ad Cyber Safety & Security, de master Strategische Communicatie. Door de flexibilisering van het onderwijs kunnen studenten makkelijker hun eigen leerroute bepalen.
Binnen enkele opleidingen is een passend minorenaanbod opgezet, waarbij studenten de mogelijkheid krijgen om zich te specialiseren in actuele en internationale thema’s. Sommige nieuwe programma’s trekken niet alleen studenten uit de eigen instelling, maar ook van andere onderwijsinstellingen, zowel nationaal als internationaal. In samenwerking met andere onderwijsniveaus wordt gewerkt aan doorlopende leerlijnen, waardoor studenten beter voorbereid instromen in het hoger onderwijs. In bepaalde vakgebieden worden duale trajecten ontwikkeld, waarbij studenten leren en werken combineren. Dit wordt door zowel studenten als werkgevers positief ontvangen, omdat het beter aansluit op de behoeften van de praktijk. Sommige nieuwe studierichtingen kennen nog een lage instroom, maar er zijn verwachtingen dat dit in de komende jaren zal groeien. De verdere ontwikkeling van flexibiliteit binnen de studieprogramma’s wordt gezien als een belangrijk aandachtspunt voor de toekomst dat ook een plek heeft gekregen in het strategisch instellingsplan.
Het (talent)programma X-Honours, gericht op studenten die extra curriculair activiteiten willen ondernemen en verrijking van de studie wensen, is een aantal jaren gefinancierd vanuit de KA-middelen. Het programma staat open voor studenten van alle opleidingen en heeft een doorontwikkeling doorgemaakt naar een programma dat ook algemenere academische onderwerpen aan studenten aanbiedt. Het vormt tevens een prettige ontmoetingsplek voor studenten en is daarmee ook een activiteit die het studentwelzijn verhoogt.
Er zijn fasttracks ontwikkeld bij de opleidingen Leisure & Tourism en de verkenning is bij Bedrijfskunde gedaan. Fasttracks zijn interessante routes voor vwo-leerlingen die versnelling aankunnen. Als gevolg van de corona-effecten hebben we er als hogeschool voor gekozen hier niet intensief op in te zetten.
Thema 5: Onderwijsfaciliteiten
Doelstellingen op hoofdlijnen:
- Inrichting van ateliers voor alle studiejaren specifiek voor opleidingen en voor interdisciplinair gebruik;
- Het bieden van een compleet, geïntegreerd en eigentijds pakket aan digitale voorzieningen, waarmee de studenten met één digitale identiteit interactief tijdens hun reis binnen en buiten de hogeschool worden gefaciliteerd en waarbij hun talentontwikkeling wordt gestimuleerd;
- Digitale voorzieningen op het gebied van community-vorming, onderwijslogistiek tot en met voorzieningen om onderwijs 24/7 te kunnen volgen;
- Een studenten-app waarin alle studentinformatie realtime beschikbaar is.
Fysieke Ruimtes
- Er zijn renovaties en uitbreidingen gerealiseerd, zoals de creatie van nieuwe ateliers in verschillende locaties voor het werken met DBE;
- Ruimtes zijn aangepast om beter te functioneren als leeromgevingen, inclusief verbeterde praktijkruimtes en vergaderfaciliteiten;
- Er is een nieuw ruimtemanagementsysteem geïmplementeerd, waarmee het gebruik van onderwijsruimten efficiënter wordt beheerd.
Digitale leeromgeving
De digitale leeromgeving is gemoderniseerd en beter afgestemd op de behoeften van studenten en docenten. Dit omvat onder andere de implementatie van een nieuwe digitale werkomgeving en de overstap naar digitale opslag- en samenwerkingsplatforms. Daarnaast is een systeem ontwikkeld waarmee studenten gemakkelijker toegang hebben tot hun studievoortgang, roosterinformatie en andere onderwijsgerelateerde zaken (YOS).
Door de veranderende omstandigheden van het afgelopen jaar is de digitalisering van toetsing in een stroomversnelling gekomen. Online toetsafname en digitale surveillance zijn breed ingezet om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen. Deze ontwikkeling heeft geleid tot nieuwe inzichten en evaluaties over hoe toetsing in de toekomst verder verbeterd kan worden.
Verder is er geïnvesteerd in de fysieke leeromgeving, met een focus op flexibele werk- en leerplekken die samenwerking en praktijkgericht leren ondersteunen. In verschillende locaties zijn werkruimtes en ateliers ingericht waar studenten, docenten en praktijkpartners gezamenlijk aan realistische vraagstukken werken.
- Er is gewerkt aan de overgang naar een verbeterde digitale leeromgeving, waarin studenten en docenten eenvoudiger kunnen samenwerken.
- Online leermiddelen worden verder geoptimaliseerd, onder andere met betere toegang tot videomateriaal en open leermaterialen (open source).
- Er is een onderzoeksproject gestart naar privacy- en datamanagement, zodat digitale leermaterialen veilig en effectief beheerd kunnen worden.
Daarnaast zijn er pilots gestart om het gebruik van digitale onderwijsinnovaties, zoals online simulatoren en interactieve onderwijsmodules, verder te onderzoeken.
Er is geïnvesteerd in betere onderwijsfaciliteiten om de groeiende vraag naar praktijkruimtes en moderne technologie te ondersteunen. Verschillende opleidingen hebben nieuwe studieruimtes en digitale middelen gekregen, zoals virtuele simulaties en innovatieve leeromgevingen. De aanschaf van moderne leermiddelen draagt bij aan een betere aansluiting op de praktijk en stelt studenten in staat om in een realistische setting te leren en te oefenen. In enkele opleidingen zijn speciale projectruimtes en laboratoria ingericht, waar studenten zelfstandig of in groepen kunnen werken aan praktijkopdrachten. Daarnaast wordt geëxperimenteerd met digitale platforms die studenten helpen bij het navigeren door de onderwijsomgeving en het vinden van relevante informatie.
Thema 6: Docentprofessionalisering
Doelstellingen op hoofdlijnen:
- op de praktijk aansluitende DBE-trainingen voor docenten (70 tot 90 % van de docenten heeft deze training gevolgd);
- onderzoek door de eigen lectoraten naar leerbevorderende maatregelen voor studenten;
- evalueren van de trainingen ter verbetering.
Er is ingezet op de verdere ontwikkeling van docenten, met specifieke trainingen gericht op de nieuwe onderwijsaanpak en digitale didactiek. Hierbij ligt de nadruk op hoe docenten studenten beter kunnen begeleiden in onderzoeken en DBE. Door de snelle digitalisering zijn extra middelen vrijgemaakt om docenten te ondersteunen bij het online lesgeven/blended learning en het motiveren van studenten in een digitale leeromgeving. De ontwikkeling van docenten speelt een belangrijke rol in de onderwijsvernieuwing. Training en professionalisering zijn gericht op het verbeteren van didactische vaardigheden en het ondersteunen van studenten in hun leerproces.
Naast individuele scholing is er aandacht voor teamontwikkeling en samenwerking binnen opleidingen. Dit moet bijdragen aan een gezamenlijke visie op onderwijs en een efficiëntere organisatie van de programma’s. Er wordt daarnaast onderzoek gedaan naar hoe trainingen beter kunnen aansluiten op de onderwijsbehoeften en hoe studenten gestimuleerd kunnen worden om gemotiveerd en zelfstandig te leren.
- Docenten volgen trainingen in innovatieve onderwijsmethoden, zoals doorbraakgericht onderwijs en gepersonaliseerde begeleiding.
- Nieuwe docenten worden ondersteund met een buddysysteem en intervisietrajecten.
- Er zijn workshops en coachingsprogramma's opgezet om werkplezier en motivatie bij docenten te vergroten.
Een belangrijk onderdeel van de professionalisering is de training in programmatisch toetsen en studentbegeleiding. Dit helpt docenten om beter te anticiperen op de behoeften van studenten en hen te ondersteunen in hun leerproces. In enkele opleidingen is een traject opgezet waarbij nieuwe docenten worden begeleid door ervaren collega’s, zodat ze sneller hun weg vinden in de onderwijspraktijk. Deelnemers aan professionaliseringsprogramma’s ervaren deze als nuttig, maar geven aan dat er vaak weinig tijd is om scholing te volgen naast de reguliere onderwijstaken. Er wordt gewerkt aan een flexibelere invulling van scholingstrajecten, zodat docenten deze beter kunnen combineren met hun werk. De kwaliteit van de begeleiding en didactische vaardigheden van docenten wordt regelmatig geëvalueerd, zowel intern als via landelijke enquêtes onder studenten. Op basis van deze evaluaties worden gerichte verbeteracties ingezet om de onderwijskwaliteit verder te versterken.
Trainingen en workshops worden aangeboden op het gebied van didactiek, toetsing en coaching. Daarnaast wordt gewerkt aan de ontwikkeling van docenten op het gebied van digitalisering en internationalisering, zodat zij beter kunnen aansluiten bij nieuwe onderwijsontwikkelingen. Er worden trajecten aangeboden voor docenten die hun expertise verder willen verdiepen, waaronder promotietrajecten en masteropleidingen. Binnen de opleidingen wordt gewerkt aan een cultuur waarin docenten elkaar ondersteunen en samen werken aan de verbetering van het onderwijs.
Deze maatregelen en ontwikkelingen zijn erop gericht om het onderwijs verder te verbeteren, het studiesucces te vergroten en studenten en docenten optimaal te ondersteunen in hun leer- en werkproces.
Er wordt continu gewerkt aan de professionalisering van docenten door middel van trainingen en certificeringen (zoals Cambridge, BDB, BKE en SKE). Docenten worden gestimuleerd om zich verder te ontwikkelen op vakinhoud, didactiek en internationale samenwerking. Teamdagen en intervisies helpen bij het verbeteren van onderwijsvaardigheden en het ontwikkelen van een gedeelde visie op didactiek. Daarnaast wordt gekeken naar de rol van technologie en AI in onderwijs en toetsing.
In de Nationale Studenten Enquête (NSE) van 2024 is studenten gevraagd naar de deskundigheid van docenten. Door studenten is aangegeven dat zij docenten als deskundig ervaren en dat docenten hen individueel en gericht kunnen helpen met het leerproces zoals binnen DBE bedoeld.
Overkoepelend
Studenten spelen een steeds grotere rol in beleidsvorming en onderwijsontwikkeling. Er zijn studentadviseurs aangesteld die actief meedenken over verbeteringen en deelnemen aan overlegstructuren.
- Studentenraden zijn betrokken bij de kwaliteitsafspraken en leveren input over hun ervaringen en behoeften.
- Er worden initiatieven ondersteund waarbij studenten elkaar helpen, zoals mentoringprogramma’s en thematische bijeenkomsten over welzijn en studievoortgang.
- Studentenparticipatie wordt gestimuleerd in zowel monodisciplinaire als multidisciplinaire projecten.
Binnen sommige opleidingen zijn studentassistenten en -raden betrokken bij specifieke verbetertrajecten, zoals het bespreekbaar maken van welzijnsproblemen en het bevorderen van de sociale cohesie binnen de opleidingen.
4 Resultaten kwaliteitsafspraken financieel
Over de planperiode 2019 t/m 2024 zijn de studievoorschotmiddelen die we hebben ontvangen voor de uitvoering van de kwaliteitsafspraken volledig ingezet. Het totale budget (incl. indexaties) voor NHL Stenden was € 75,6 mln., in totaal is bijna € 75,8 mln. besteed. Deze kosten zijn vastgelegd in de project- en financiële administratie. Onderstaand een korte toelichting over bijstelling van de oorspronkelijke begroting, verantwoording per jaar en per thema en ten slotte een verwijzing naar meer details in de bijlage.
In 2021 hebben we het plan 'Verder leren in kwaliteit' bijgesteld. Dit is vastgelegd in een addendum en daarmee heeft onze medezeggenschapsraad ingestemd. Belangrijkste bijstelling betrof de verschuiving van budget van thema’s 4 en 6 naar thema 1. Er zit een oploop in de studievoorschotmiddelen die via de rijksbijdrage van het Ministerie van OCW is ontvangen. In het macrokader loopt de reeks van € 120 miljoen in 2019 op tot € 432 miljoen in 2024. Ons budget volgt de meerjarenbegroting zoals opgenomen in het plan 'Verder leren in kwaliteit', de bijstelling daarvan in het addendum en de jaarlijkse indexaties. Er is afgesproken dat binnen een thema middelen naar voren of naar achteren geschoven konden worden in de tijd en dat is binnen de planperiode ook gebeurd.
Onderstaande tabellen tonen het financiële overzicht voor de kwaliteitsafspraken, van 2019 tot en met 2024. De begroting en de exploitatie van 2019 tot en met 2021 zijn per thema zichtbaar:
De begroting en de financiële exploitatie van 2022 t/m 2024 worden getoond in onderstaande tabel:
Het totale plaatje samengevat voor alle jaren ziet er als volgt uit:
Over de planperiode van de kwaliteitsafspraken zijn alle studievoorschotmiddelen ingezet. De lichte overschrijding is gedekt vanuit eigen middelen. Alle bedragen in bovenstaande tabellen zijn weergegeven in duizendtallen. Een gedetailleerde weergave van begrote en gerealiseerde uitgaven per thema over de jaren 2019-2024 is opgenomen in bijlage 6. Door de (door)ontwikkeling van YOS, de app die op meerdere fronten voor studenten van groot belang is, is er in thema 5 meer besteed en in thema 1 en 2 minder. Dit is een bewuste keuze aangezien de applicatie een grote bijdrage levert aan betere studentbegeleiding en de toegang en vindbaarheid van het welzijnsdeel voor studenten.
5 Reflectie stuurgroep en CvB: lessons learned
De door de minister verstrekte studievoorschotmiddelen zijn destijds in de toen nieuwe fusiehogeschool met open armen ontvangen omdat het een boost gaf aan de ontwikkeling van een nieuw onderwijsconcept en daarmee een kwaliteitsimpuls kon geven aan het onderwijs aan de studenten van NHL Stenden Hogeschool in alle facetten.
Corona-effect
Als gevolg van de lockdowns in de pandemie veranderde de behoeften van studenten. Het onderwijs werd omgezet naar online onderwijs en ook de toetsen werden op afstand afgenomen. Dat heeft ertoe geleid dat we versneld en verzwaard hebben ingezet op de invoering van digitaal toetsen in thema 5. Ook is ervoor gekozen, omdat het ministerie ook die handreiking deed, middelen te heralloceren. Er was in de jaren 2020 en 2021 minder tijd en behoefte om te investeren in de ontwikkeling van nieuwe opleidingen en meer behoefte aan extra inzet op docentcapaciteit. Deze docenten werden ingezet om bijvoorbeeld inhaalonderwijs te organiseren voor die studenten die een achterstand hadden maar ook om de begeleiding van studenten te intensiveren. Voor studenten was het vele online studeren niet positief voor het welzijn en welbevinden. Daar waar mogelijk probeerden we ontmoetingen op locatie te organiseren en de docenten te faciliteren wat meer tijd aan de studenten te kunnen besteden. Er zijn toen middelen van met name thema 4 en thema 6 verschoven naar thema 1, na afstemming met de medezeggenschapsraad en de Raad van Toezicht. Onderzoeken laten zien dat het maatschappelijke tijdsgewricht maar ook de afwezigheid van sociale binding als gevolg van de coronamaatregelen erg ontwrichtend hebben gewerkt en nog steeds doorwerken in het welbevinden van jongeren. We hebben daartoe blijvend ingezet op de doorontwikkeling van het studentenwelzijnsaanbod, via de inzet van studentpsychologen, het centrum voor studentsucces, bootcamps en ateliers waar studenten terecht kunnen voor extra begeleiding. Ook in het plan voor de verduurzaming zijn blijvend middelen gereserveerd voor studentenwelzijn.
Lessons learned
Als lerende organisatie leren we ook graag van de gekozen aanpak. We werken graag design based, conform ons onderwijsconcept en we werken voortdurend aan verbeteringen. Om die reden geven we hier weer wat we geleerd hebben van het traject en wat we meenemen in toekomstige programma’s en in de aanpak van complexe, hogeschoolbrede vraagstukken:
- De planperiode inclusief de voorbereidingstijd beslaat een forse periode van zo’n zes jaar. De reglementen voor medezeggenschap bevatten termijnen voor leden; als gevolg daarvan zijn er regelmatig wisselingen in de samenstelling van de medezeggenschapsraad. Studenten zijn normaal gesproken sowieso korter verbonden aan de hogeschool als gevolg van de beperking door de studieduur. We zagen daardoor dat studenten die betrokken waren bij de ontwikkeling van de plannen gedurende de planperiode afstudeerden. Dat is om allerlei redenen positief, maar vraagt iets van het overdragen aan en afstemmen met de latere studentgeledingen. Ondanks onze pogingen de studenten aan te laten haken in de projectgroepen en ook in de stuurgroep, merkten we dat het enthousiasme en de betrokkenheid van de ‘eerste lichting’ uitdagend was om vast te houden. Bij een volgend programma zullen we deze bevinding meenemen en hier in het ontwerp meer rekening mee proberen te houden.
- Buiten de projecten en activiteiten vanuit de kwaliteitsafspraken zijn er in de planperiode zaken ontwikkeld vanuit de NPO-middelen. Binnen het reguliere proces en in de maatschappij door maatschappelijke ontwikkelingen zijn er ook factoren die effect hebben op studentwelzijn, studentsucces en de kwaliteit van het onderwijs. Het is niet altijd even eenvoudig en onderzoeksmatig correct de effecten toe te schrijven aan de activiteiten vanuit de middelen kwaliteitsafspraken.
- We zijn positief over de gekozen structuur en organisatie. Vanaf de start is gekozen voor een centrale aanpak en coördinatie en dat heeft gezorgd voor overzicht, een goede sturing op de financiële uitnutting (via een goed opgezette projectadministratie), sturing op de voortgang van de activiteiten en hogeschoolbrede (ook bestuurlijke) aandacht voor de kwaliteitsafspraken.
- Het programma is weliswaar afgerond maar we kiezen er bewust voor door te gaan met een aantal ontwikkelde activiteiten zoals de coördinatoren studentbegeleiding, een fors aantal welzijnsactiviteiten (inmiddels opgenomen in het beleid studentwelzijn), de studentadviseurs en ook de extra bootcamps ter preventie van langstuderen.
- We zijn dankbaar dat we de middelen hebben kunnen benutten voor de ontwikkeling van ons nieuwe onderwijsconcept Design Based Education. Als nieuwe hogeschool was de ontwikkeling van een nieuw concept een passende gezamenlijke activiteit voor gefuseerde opleidingen die veel energie gaf en mogelijkheden het onderwijs beter aan te laten sluiten op de ontwikkelingen in het werkveld.
- Er zijn veel mooie concrete opbrengsten te noemen zoals het online platform YOS, de digitalisering van onderwijs en toetsing, een flink aantal nieuwe Ad’s en masteropleidingen, veel fysieke ateliers die passen bij het DBE-concept en een fors en passend aanbod voor de professionalisering van docenten.
6 Verduurzaming Kwaliteitsafspraken
De regering heeft na het aflopen van de planperiode kwaliteitsafspraken voorgesteld om de studievoorschotmiddelen per 2025 structureel, door toevoeging aan de lumpsum, ter beschikking te laten komen van de instellingen. De middelen worden hiertoe toegevoegd aan de onderwijsopslag in percentages, deel van het onderwijsdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage. Voor NHL Stenden gaat het vanaf 2025 om een structureel bedrag (kan geïndexeerd worden) van ongeveer € 19,8 mln.
Het effect van de activiteiten is geëvalueerd en op basis daarvan zijn voorstellen voor verduurzaming bij de stuurgroep kwaliteitsafspraken neergelegd ter accordering door het College van Bestuur. Bij de allocatie van deze middelen zijn door de hogeschool de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- Activiteiten zijn passend bij strategisch instellingsplan 2025-2030 en leiden tot verhoging van de kwaliteit van het onderwijs, studentsucces en studentwelzijn.
- Adequate verdeling onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering. Zoveel mogelijk inzet direct gekoppeld aan het primaire onderwijsproces, met andere woorden aan de academies toe te kennen en in te zetten op studentbegeleiding, onderwijs.
- Meerjarige verplichtingen die doorlopen na 2024 en niet (onmiddellijk) gestopt kunnen worden in relatie tot aanwezigheid flexibele schil in organisatieonderdelen om (gedeeltelijke) teruggang op te vangen.
- Voorstellen gebaseerd op resultaten uit de evaluatie van projecten.
- Middelen worden decentraal geoormerkt toegekend en worden verantwoord in de reguliere P&C-cyclus (R-momenten).
- Deel van de activiteiten uit met name thema 3 worden voortgezet en daarbij gefinancierd vanuit de studentwelzijnsmiddelen uit het bestuursakkoord VH-OCW;
- Verdeelsleutel op grond van studentaantallen (studentgebonden financiering).
- Een deel van de middelen wordt gereserveerd om gestegen kosten voor ateliers op te vangen.
Ook de Hogeschoolmedezeggenschapsraad (HMR) constateert terecht dat de deskundigheidsbevordering van studiebegeleiders een doorlopend punt van aandacht is. Het onderwijsconcept en de veranderende behoefte van studenten vraagt om de ontwikkeling van coachingsvaardigheden. Vanuit het beleid studentenwelzijn wordt hier ook de komende jaren in samenwerking met de interne professionaliseringsacademie stevig op ingezet.
